Charles Eyck

Een veelzijdig kunstenaar

Van de kunstenaars die deel uit maakten van de Meerssense School is Charles Eyck (1897-1983) het meest bekend bij het grote publiek. De basis voor zijn carrière werd gelegd in Meerssen als leerling van Jos Tilmans aan de Teekenschool en als protégé van Jan van Puijenbroeck - en in Maastricht, waar hij 5 jaar werkte als plateelschilder bij de Société Céramique.

In 1918 vertrok hij naar Amsterdam om te gaan studeren aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. In 1922 won hij de prestigieuze Prix de Rome. Hierna begon een periode van reizen en verder studeren. In 1938 kwam hij terug naar Zuid-Limburg.

Tussen geboorte en dood ligt een vacuüm van tijd, die de mens naar beste vermogen moet invullen. Met mijn hand heb ik vooral die invulling van mijn leven gegeven, in de hoop wat schoonheid te scheppen en wat vreugde te verschaffen aan mijn medemensen, waar ik veel van hield.

Charles Eyck

Maria met kind Jezus, Charles Eyck, ca 1922/1923. © Limburgs Museum

De jonge jaren

Charles Eyck werd op 24 maart 1897 geboren in Meerssen als vijfde kind van Mathieu Eyck en Gusta America. Uiteindelijk zouden er 14 kinderen worden geboren in het gezin.

Vader Eyck was schoenmaker van professie, en had verder verschillende bijbaantjes om zijn gezin voldoende te kunnen onderhouden. Zo was hij koetsier van de burgemeester en notaris van Meerssen, afroeper bij openbare verkopingen, hulpagent en ‘suisse’ in de kerk.

Op 10-jarige leeftijd werd Charles ernstig ziek. De dokter constateerde bof, roodvonk en typheuze koortsen, alsmede een middenoorontsteking. Charles genas, maar de ziekte vroeg wel zijn tol: hij was doof geworden en zou nooit meer horen. De laatste woorden die hij hoorde waren afkomstig van zijn moeder: “Hee geit oet wie ein lamp zoonder petrol” (Hij gaat uit zoals een lamp zonder petroleum)

Het directe gevolg van zijn doofheid was dat Charles de lagere school niet kon afmaken. Hij aanvaardde zijn handicap echter zonder bitterheid, en zou er zich later zelfs in zeer positieve woorden over uitlaten: “Ik zou mijn doofheid voor geen goud willen missen. Ik geniet iedere dag van de stilte om mij heen. Ik zou iedereen wel zo’n doofheid willen toewensen.”

Eyck’s doofheid is zonder twijfel van grote invloed geweest op zijn verdere leven en kunstenaarschap.

Charles_Eyck_jongZelfportret van de jonge Charles in 1917.

 

Eerste voetstappen als kunstenaar

Thuis bij het gezin Eyck was er weinig ruimte voor culturele uitingen. Toch kreeg Charles al vroeg interesse voor cultuur, tekenen en lezen. Mede doordat zijn oom Hubert hem al van jongs af aan hierin stimuleerde.

Ook zijn toekomstig leven als beeldend kunstenaar manifesteerde zich al vroeg: al op jonge leeftijd sneed hij figuurtjes in mergelsteen. Of hij tekende de schilderingen in de kerk na. Dat leverde hem zelfs een keer strafregels op: “Ik mag in de kerk niet schilderen”. De toekomst zou anders uitwijzen…

Tussen 1910 en 1915 ging Charles Eyck in de avonduren naar de St. Jozef Teekenschool in Meerssen waar hij les kreeg in tekenen en schilderen. Overdag werkte hij – als tiener – als plateelschilder bij de Société Céramique, waar hij serviesgoed beschilderde. Het volgens vaste patronen beschilderen van (tien)duizenden kopjes, schoteltjes, enz. was op zijn zachtst gezegd niet erg stimulerend voor de kunstenaar in de dop: “Belangrijker vond ik, het stiekem anders beschilderen van kopjes en bordjes dan ik volgens bestek verplicht was te doen.”

Niettemin dacht Eyck op latere leeftijd ook in positieve zin terug aan deze periode: “Ik [deed er] zelfdiscipline op, en een enorme vingervaardigheid met het penseel.”

In deze periode trok hij ook veel op met Alphons Volders, met wie hij onder andere de Schenkgroeve introk om er te tekenen op de mergelwanden. Waar van Volders’ werk flink wat bewaard is gebleven, is van Eyck’s tekeningen nagenoeg alles verloren gegaan door latere instortingen.

Eyck_AvondstemmingAanDeGeul

Deze pentekening van Eyck - 'Avondstemming aan de Geul' - hing aan de muur in het atelier van Alphons Volders.

© Archief Alphons Volders

Tijdens de Eerste Wereldoorlog

In 1915 – Charles was inmiddels 18 jaar – ging hij aan de slag als huisschilder bij Jean Wingen in Maastricht. Jean Wingen zag zijn talent en gaf hem doek en verf met de opdracht: “Ga jij maar schilderen!”. Jean Wingen verkocht de schilderijen en Eyck kreeg voor elk schilderij een gulden. Op een van zijn zwerftochten ontmoette hij de schilder Jan van Puijenbroeck, een Belgische oorlogsvluchteling.

Met Van Puijenbroek en de andere leden van de Meerssense School zoals Alphons Volders zwierf Eyck door de velden rond Meerssen. Van Puijenbroeck liet hem kennis maken met de schilders van de Vlaamse School, van de Primitieven tot James Ensor. Over zijn leermeester in deze periode merkte Eyck later op dat hij degene was “die mij de gloeiende zonsondergang leerde zien en de reflecties op de beregende bomenkoepels, me opmerkzaam maakte op kleurcomposities en me oog gaf voor motieven waaraan ik voordien voorbij was gelopen.”

Charles Eyck, Markt te Heerlen, 1916. © Limburgs Museum

Naar de Rijksacademie

In 1918 besloot Charles Eyck- tegen de zin van zijn ouders – zich aan te melden voor de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Hij werd aangenomen en kreeg er een de navolgende jaren een gedegen opleiding als beeldend kunstenaar. Hier kon hij zijn talent tot volle wasdom laten groeien.

Rijksakademie

De Rijksacademie te Amsterdam. © rijksakademie.nl

Schilderen in een rotshol

Tijdens de zomervakanties kwam Eyck vanuit Amsterdam terug naar Meerssen. Charles gaat op zoek naar een geschikte atelierruimte (die vooral niets mocht kosten). Boer Curfs – een vriend van zijn vader – bood hem een ‘rotshol’ (een kleine mergelgroeve) aan boven zijn boerderij nabij Geulhem. Naast de groeve lag een plateau, dat uitermate geschikt was als buitenatelier. Ze hadden er de hele dag goed licht en een prachtig uitzicht op de wisselende impressies van het Geuldal.

Eyck kreeg er onder andere bezoek van professor Antoon der Kinderen – een van zijn docenten aan de Rijksacademie – die niet onder stoelen of banken schoof dat hij zeer jaloers was op Eyck’s idyllische werkplek.

Eyck_Rotshol_h700

Tekening van Eyck van het rotshol

Op enig moment meldde de 7 jaar jongere Harry Koolen zich bij Eyck. Hij werd geaccepteerd als zijn protegé en de twee maakten zwerftochten door de heuvels en langs de Geul. Eyck zou zich later herinneren: “We brachten de zonnige dagen door met schilderen langs de boorden van de Geul. Van twee rode zakdoeken hadden we slipjes gemaakt als enige bekleding waardoor we zo bruin bakten als Indianen. Maar het nadeel van die schrale bekleding was, dat we gewoonte trouw onzer penselen op onze blote buik schoon maakten als we van kleur mengen daartoe gedwongen waren zodat we naast onze schilder materialen ook nog een pot groene zeep moesten meenemen om ons van die verf schoon te wassen . Maar dat had als voordeel, dat we onze penselen in de Geul konden uitwassen.”

Helaas stortte het plafond van het rotshol aan het einde van de vakantie in, en werden flink wat jeugdwerken van Eyck en Koolen onder het puin bedolven. Na deze zomer verloren Eyck en Koolen elkaar uit het oog, totdat ze elkaar in de jaren ’70 weer tegenkwamen tijdens een expositie in Meerssen.

Winnaar van de Prix de Rome

In 1922 dong Charles Eyck mee naar de Prix de Rome - een aanmoedigingsprijs voor jong artistiek talent - met het schilderij ‘De Verloren zoon’. Eyck won. In Meerssen werd hij groots ingehuldigd. Van het prijzengeld maakte hij in de navolgende jaren reizen naar Italië – samen met Alphons Volders – en Frankrijk, waar hij de werken van de grote meesters met eigen ogen aanschouwde.

Eyck_Verloren-Zoon

Charles Eyck, De verloren zoon, 1922. © Museum Land van Valkenburg

Verdere carrière

Na zijn terugkeer wachtten hem nog enkele magere jaren, maar vanaf 1929 nam Eyck’s carrière een hoge vlucht. Tussen 1930 en 1950 was hij een veelgevraagd kunstenaar, vooral voor schilderingen in kerken. Inmiddels was hij de andere leden van de Meerssense School ver voorbijgestreefd in artisticiteit en succes.

Charles Eyck overleed in 1983 op 86-jarige leeftijd.

 

Charles Eyck, Blik op de Oude Oliemolen in Rothem, 1923.